We Talk, You Listen

Onder antropologen, Westers opgeleide onderzoekers van oorspronkelijke culturen zoals de Inuit, San en Amazone bewoners, groeit een, collectief  onderdrukt, onbehagen. Wij raken langzaam maar zeker ons kennismonopolie kwijt hoe inheemse volken (oorspronkelijke samenlevingen, First Nations), in hun indrukwekkende verscheidenheid, hun wereld zien, beleven en betekenis geven.

In 1972 schreef, Vine Deloria jr., een V.S. ‘inboorling’ (native) van de ‘Standing Rock Sioux‘ gemeenschap, een boek gericht aan ons ‘Witten’ met de titel ‘We Talk, You Listen‘ (Wij spreken, jullie luisteren). Daarin legde hij ons uit hoe zij vanuit zijn/hun (emic) ogen in de wereld staan en zullen overleven. In het Duits is zijn boek vertaald als ‘Nur Stämme werden überleben‘ (Slechts stammen zullen overleven). Hij onderbouwt zijn verhaal met duizenden jaren wijsheid, kennis en vaardigheden die verloren leken maar anno 2015 nog springlevend en vitaal zijn. Vooral de paradijselijke (holistische) ervaring van in een stam te leven is wat hun geschiedenis levend houdt. Deloria zegt daarover (1972, 13):

‘Een stamsamenleving (tribal society) is op een manier georganiseerd dat je het moet ervaren van binnenuit om het te begrijpen. Het is holistisch, en logische cognitieve analyses brengen je terug naar vooronderstellingen waarmee je begon. Daar wordt je niet wijzer van. Leven in een tribaal universum is zo comfortabel en redelijk dat het werkt als een narcoticum. Wanneer je uit de tribale context wordt gedrongen raak je vervreemd, geïrriteerd en eenzaam. In wanhoop wil je terug naar de stam. Al was het maar om je mentale stabiliteit te behouden.

Een groeiend aantal mensen opgegroeid in inheemse volken/ethnisch minderheden, zijn nu zelf sociale wetenschappers, waaronder antropologen,  beschrijven nu zelf, ook voor ons Westerlingen, hoe zij  in de wereld staan (Some 1990; Bhabha 1994; Gone 2014). Er bestaat binnen de academische antropologie al bijna 100 jaar een, nog steeds groeiende, groep van ‘native anthropologists‘ (Harrison 1993). In mainstream antropologie wordt deze ontwikkeling vooralsnog gemarginaliseerd, genegeerd en zelfs ontkend, omdat het een collectieve angst genereert dat ons vak overbodig aan het worden is. Onder die angst zit de collectieve verdringing van de confrontatie van witte antropologen met onze eigen familiale/nationale/religieuze koloniale geschiedenissen.

Wanneer we antropologie zien als vooral een Europese (westerse) onderneming om onszelf opnieuw te ontdekken en te leren zien door de ogen van ‘echte anderen’ is er helemaal geen reden voor bedreigd voelen. Wat ‘inheemse’ antropologen doen vult aan wat ‘westerse’ antropologen al gedaan hebben. Het een vult het ander aan. Door vreemde anderen, buiten Europa, te bestuderen werden/worden wij antropologen als geen (westerse) ander gedwongen na te denken over onze eigen cultuur. De antropoloog Gregory Bateson was zich van zijn wetenschappelijk etnocentrisme, in zijn etnografie (Naven 1935) over een initiatieritueel voor jongens bij de Nieuw-Guinease Iatmul, zeer van bewust en probeerde daar een antwoord op te vinden. Hij werkte in dit proefschrift drie perspectieven (een verwantschaps-, een groepsdynamische en een ethos: gendered emotions benadering) uit om de werking en de functies van het ritueel voor de Iatmul gemeenschap te duiden zodat hij niet in de valkuil van schijnobjectiviteit zou terechtkomen. De epistemologische waarde van deze studie werd in zijn tijd toen en nu nog steeds niet goed ingeschat in de  antropologie. Later noemde Levi-Strauss de ‘ontwortelende’ ervaring van antropologen om langere tijd (een of meer jaren) bij een ‘indigenous people’ te verblijven ‘depaysement‘ (letterlijk ‘ontlanding’). Deze ervaring achtte hij onmisbaar voor het vakmanschap van een etnoloog/antropoloog.

Door beter te luisteren naar antropologen die inheemse kennis niet uit tweede maar eerste hand hebben krijgen antropologen de kans om zich verder te bekwamen als interculturele vertalers en bemiddelaars.

En die zijn de huidige globaliserende, migrerende en vluchtende wereld meer dan nodig.

Lees meer over mijn ‘depaysement’ en Eerste Naties in ‘Bekkum Europa Op Zoek naar Wortels in Afrika Hivos (1994), Mythemakers (1998)Wilde Denkers (1994).

Geplaatst in Applying Anthropology, Clinical Anthropology, Cultural Selfreflection, Family & Community Continuity, First & Second Nations, Gender Complementarity, Organisms as Selfcorrective Systems, Rituals of Passage and Affliction

Latest Comments